Toegangspoort en boerderij

Petrus is er niet te vinden, maar toch staat er een poort naar Emmaüs , dat volgens de Lazaristen kon wedijveren met het ‘aards paradijs’.

Deze poort is ooit, zelfs meerdere keren, verplaatst. Dit verklaart waarom de poort niet meer helemaal intact is. De toegangsweg vanuit Panningen kwam langs de kloosterboerderij. De pachter van deze boerderij had afspraken over het beheer van Emmaüs, het leveren van groenten, eieren, aardappelen en melk en het legen van de gierput.

Kloosterboerderij:
Vanuit de originele poort kijkt u in de verte naar een mooie boerderij. Deze boerderij behoort oorspronkelijk bij het kloosterterrein. Aangezien de Lazaristen maar enkele dagen per week naar Emmaüs gingen, werd de dagelijkse gang van zaken geregeld via een ‘beheerder’, de boer op de boerderij. De boerderij was verpacht aan de familie Verstegen. Deze familie werkte bij Emmaüs tegen kost en inwoning. Er waren dus zo goed als geen financiële handelingen tussen de familie en de Lazaristen . De boer ging met paard en wagen eten halen in Panningen en nam daarbij ook vaak bier mee. Op de foto van de boerderij bij Emmaüs, ziet u links een rijtuig staan, de enige mogelijkheid om buiten het erf te komen. De weg bestond enkel uit een karrenspoor.In 1913 is de nieuwe boerderij gereed. Het is een langgevel-boerderij met een zadeldak. Midden op de foto ziet u een hondenkar. Op deze boerderij werd de hond ook nog tot ca. 1925 gebruikt voor het aandrijven van een tredmolen, waarmee melk tot boter werd gekarnd.

Tot 1992 stonden de imposante lindebomen in een laan tot aan de kloosterboerderij. Helaas is in augustus 1992 deze lindelaan verloren gegaan tijdens een zware storm. De laatste boom van deze lindelaan staat nu nog bij de boerderij. In zijn gedachtenisschrift, uit 1955, schrijft Corn. Verwoerd cm hoe de diverse eigendommen van de Lazaristen in Helden werden verworven.

(citaat)
Vervolgens kochten de Lazaristen op 23 november 1904 onder Beringerzand een terrein van ruim 11 hectare, ‘Gietenhof’ genaamd, terrein van bos en heide, dat behoorde aan de erfgenamen Verstappen. Dit is tot op de huidige dag, vooral in de zomer, het wekelijkse ontspanningsoord voor scholastieken en novicen en is door gestadige bewerking, frisse ondernemingsgeest en fantasie van de ene studentengeneratie na de andere gaan wedijveren met het aards paradijs!!!
Om het met vader Vondel te zeggen: (Lucifer, 1e bedrijf)
Daar…. “Zwelt de boezem der landbouw van kruid en kleur. En knop, en telgh en bloem en allerhande geur”


Gietenhof was een kleine boerderij. Het gebouw voldeed blijkbaar niet meer, want op 24 maart 1910 werd een bouwvergunning afgegeven voor een nieuwe boerderij. Vanaf  de koop was op Gietenhof werkzaam de heer Jacobus Peulen met zijn gezin. Met hem was op 27 februari 1905 een overeenkomst gesloten als ‘zetboer’. We lezen in het contract met de zetboer, het volgende citaat omtrent de werkzaamheden: “Het werk op de boerderij en van de tuin, het dagelijks vervoer naar hier (missiehuis) van groente, melk, eier enz.; de groenten zoveel mogelijk schoongemaakt door de vrouw”

In 1912 werd Willem Verstegen in dienst genomen als zetboer, het begin van een ‘periode Verstegen’ welke bijna 80 jaar zou duren . Tegenover zijn diensten stonden vrij wonen, vrij vuur en licht, volgens plaatselijk gebruik, producten van de boerderij als aardappelen, groenten, melk, op onthoudingsdagen eier. Een vet varken per jaar en een huurloon van ƒ 400,00 per jaar. Er werd wél toegevoegd dat: “in geval van durende ziekte van man of vrouw verbinden zich Willem Verstegen en zijn vrouw zich het werk op eigen kosten te doen verrichten…”

Deze overeenkomst werd verschillende malen vernieuwd. De eerste keer op 29 maart 1913. Uit 1936 stamt een niet ondertekend rapport waarin geconcludeerd werd dat de boerderij in deze constructie niet rendabel was. Het was beter voor de congregatie en de familie dat men over ging naar een pachtcontract. Blijkbaar werden de conclusies van dit rapport serieus genomen. In het archief lag een inventarislijst van het bedrijf met de door de heren G. Kusters en H. Schers geschatte waarden. Een tienjarig paard werd geschat op ƒ 220,00 en was daarmee het duurste ‘stuk’ van de inventaris. Het rijtuig met bijbehorend paardentuig kostte ƒ 50,00. Legkippen werden geschat op 30 cent per stuk en de hondenkar op ƒ 5,00. Een uitgebreid pachtcontract werd opgesteld. Opgenomen waren de bekende ‘hand- en spandiensten’ die Verstegen voor het missiehuis en Emmaüs moest verrichten. Het was een heel pakket met vele voorwaarden, waarin nogal wat regels in opgenomen waren, zoals: het leveren van melk ( - geen melk mag worden geleverd van koeien lijdende aan TBC - ) tot het meenemen van keukenafval en het legen van gierputten.

In 1955 nam Jan Verstegen de pacht van zijn vader over. Enkele dienstverleningen bleven, waaronder: ”het regelmatig opruimen van de vuilnishoop bij de kapelanij, de sintels van de centrale verwarming en afval bij de keuken”. Hiervoor kreeg Jan ƒ 215,00 per jaar. Daartegenover stond een relatief lage pacht die in de loop van de jaren nauwelijks werd verhoogd. In het offi ciële informatieblad ‘Kleine Compagnie’ van het provincialaat Lazaristen, staat in december 1991 (na verkoop van de boerderij aan de familie Peeters-Teijma) te lezen:

“Zo is aan een lange periode een eind gekomen. Met een vleug van weemoed denken we aan de vele malen dat we langs de boerderij naar Emmaüs liepen. Velen zullen zich het gastvrije huis van de Verstegens blijven herinneren”.